Zo beschermen we honden tegen hondsdolheid

02 augustus 2018

Een van onze doelen is om hondsdolheid uit te roeien. Dat bereiken we door minimaal zeventig procent van de hondenpopulatie te vaccineren tegen de dodelijke ziekte. Maar waarom die zeventig procent?

Hoe meer honden zijn ingeënt, hoe minder dieren hondsdolheid kunnen krijgen en hoe minder de ziekte wordt verspreid. Maar niet àlle honden ter wereld hoeven ingeënt te zijn om de ziekte te stoppen. Het inenten van zeventig procent van de honden is genoeg om hondsdolheid te laten uitdoven. Er zijn dan te weinig honden op wie de ziekte nog overgedragen kan worden. Dit verschijnsel heet groepsimmuniteit, ook wel kudde-immuniteit genoemd. 

Groepsimmuniteit
De groepsimmuniteitsdrempel geeft aan hoeveel procent van een populatie moet zijn gevaccineerd om een ziekte te laten verdwijnen. Hoe hoog dat percentage is, hangt af van de ziekte: hoe besmettelijk de ziekte is, hoe lang dragers van de ziekte besmettelijk blijven en hoe goed het vaccin beschermt. Om een voorbeeld te geven: de mazelen zijn enorm besmettelijk en daarom moet 95 procent van een populatie zijn ingeënt om de ziekte niet verder te verspreiden.

Als zeventig procent van de honden is gevaccineerd tegen hondsdolheid, dooft de ziekte uit.

In het geval van hondsdolheid ligt die drempel dus lager en daardoor moet zeventig procent van de honden gevaccineerd zijn. Het tempo waarin nieuwe honden hondsdolheid krijgen, ligt lager dan het tempo waarin de dragers van de ziekte overlijden. Uiteindelijk dooft de ziekte dan uit. 

Vaccinaties
Het probleem is dat er in Afrika en Azië niet genoeg geld is, te weinig kennis en onvoldoende vaccins. Om die zeventig procent immuniteitsdrempel te halen, is er dus hulp nodig. Help je ook mee? Al voor € 3,- doneer je een vaccinatie.

Doneer een vaccinatie

Deel het met de rest van de wereld:

WhatsApp